Verwijten aan de gemeente Leeuwarden bij bouwproject Brédyk 32 in Wirdum

  1. Een groot deel van de archeologische vindplaats die door de bouw bedreigd werd, is niet archeologisch onderzocht, hoewel er vanuit het booronderzoek sterke aanwijzingen waren voor een archeologische vindplaats en er uit geen enkel onderzoek gebleken is dat de vindplaats hier verstoord zou zijn. Met het proefsleuvenonderzoek is slechts een klein deel van het bedreigde gebied onderzocht. waardoor er niets over de omvang van de vindplaats gezegd kon worden. Toch is het grootste deel van het bedreigde gebied vrijgegeven, hoewel er in een mail van 24 februari 2015 wel bepaald is dat beide stallen onderzocht dienden te worden. Er bevindt zich tussen de WOB-stukken geen enkel document waarin een argumentatie te vinden is om het gebied vrij te geven.
  2. Ondanks het feit dat aangetoond is dat de gehele bouwput voor de noordelijke stal binnen de vindplaats lag en dit gemeld is bij de gemeente, is een deel zonder enig archeologisch onderzoek weggegraven. Het gaat om de werkruimte rond de stal (ca. 550 m²). Alleen de oppervlakte van het gebouw zelf is onderzocht.  De ca. 600 m² binnen de noordelijke stal die in eerste instantie ook niet onderzocht hoefde te worden, moest na het vaststellen van de aanwezigheid van archeologische resten, conform een aanvulling op het Programma van Eisen uiteindelijk wel onderzocht worden.
  3. Ondanks het feit dat aangetoond is dat de gehele bouwput voor de zuidelijke stal binnen de vindplaats lag en dit gemeld is bij de gemeente, is de gehele bouwput zonder enig archeologisch onderzoek uitgegraven (ca. 2500 m²). In totaal is van het bedreigde deel van de vindplaats ca. 2400 m² onderzocht en 3050 m² niet. Er is dus ca. 56% niet onderzocht.
  4. De gemeente heeft wel bedongen dat ter compensatie van de 2500 m² van de zuidelijke stal die niet onderzocht hoefde te worden, een gebied van 50 m² dat tussen de twee stallen lag en in principe niet bedreigd was, wel onderzocht zou worden. In de praktijk zijn hier maar twee vlakken aangelegd terwijl er minstens vier noodzakelijk waren. CRV verbood echter op 10 juni 2016 verder onderzoek. De gemeente heeft dit klakkeloos geaccepteerd. Overigens is een deel van dit gebiedje alsnog verloren gegaan doordat het in de werkruimte tussen de twee stallen lag.
  5. De gemeente heeft er regelmatig zeer stevig op aangedrongen bij Archeodienst om zo min mogelijk te onderzoeken om de kosten voor CRV zo laag mogelijk te houden. Tegelijkertijd werd er wel expliciet op gewezen dat de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderzoek uitsluitend bij Archeodienst lag. Hoewel Archeodienst zich bewust was van deze verantwoordelijkheid en dus niet klakkeloos de aanwijzingen van de gemeente voor minimalisering van het onderzoek opvolgde, zijn er minder vlakken aangelegd en minder vondsten verzameld dan bij een dergelijk belangrijke vindplaats eigenlijk noodzakelijk geweest zou zijn.
  6. Toen in september 2016 duidelijk werd dat CRV niet wilde betalen, heeft Archeodienst aan de gemeente gevraagd om CRV aan te sporen te betalen. Archeodienst heeft gewezen op de ernstige consequenties die het uitblijven van betalingen zou hebben, maar desondanks heeft de gemeente categorisch geweigerd om ook maar iets te doen. Anderhalf jaar later is de kwestie nog steeds niet opgelost en liggen vondsten en grondmonsters weg te rotten en zijn de details van het onderzoek die nog in de herinnering van de opgravers aanwezig waren, vervaagd.
  7. Het milieuonderzoek is niet volledig uitgevoerd. Er is geen onderzoek gedaan binnen de oude opstallen, hoewel hier binnen de milieurapportage wel expliciet op gewezen is (rapport van LievenseCSO van 18 juni 2015, pag. 5). Hierdoor kon het gebeuren dat er bij de ontgravingen van de bouwputten voor de nieuwe stallen een of meerdere onbekende asbestvervuilingen tevoorschijn kwamen. CRV had al twee asbestsaneringen laten uitvoeren. Bij deze vervuiling heeft ze echter opdracht gegeven om het asbesthoudende puin te storten in de sloot ten noorden van de bouwputten (die toch gedempt moest worden) en de rest in depot op te slaan ten westen van de bouwlocatie. Met dit gronddepot is later een groot deel van het terrein opgehoogd en zijn wallen opgeworpen. Ondanks een melding van deze asbestvervuiling op 4 oktober 2016 is er zowel door de gemeente als door het Wetterskip niets met de vervuiling gedaan.
  8. Op 15 februari 2017 is er een WOB-verzoek gedaan omtrent de milieuaspecten van dit bouwproject. Wettelijk is bepaald dat de gemeente hier binnen twee weken een besluit over moet nemen, wat maximaal met twee weken verlengd kan worden. Het besluit werd echter pas na 9 weken genomen. In dit besluit werd geen enkel document over het milieu openbaar gemaakt. Pas na een bezwaarprocedure is er na 32 weken een aantal documenten gepubliceerd. Maar pas na 40 weken zijn de belangrijkste documenten die het milieuaspect betreffen in het kader van de beroepsprocedure openbaar gemaakt. Maar vermoedelijk zijn daarmee nog steeds niet alle documenten openbaar.
  9. In de Natuurtoets van 07-01-2015 (bijlage 4 van de ruimtelijke onderbouwing) wordt net als bij het milieuonderzoek gesteld dat er nog nader onderzoek noodzakelijk is (naar vleermuizen, marters en modderkruipers). Vermoedelijk is dit nadere onderzoek nooit uitgevoerd en heeft de gemeente hier nooit meer naar gevraagd.
  10. Tijdens het archeologische veldwerk werden door CRV grote problemen gemaakt over de kosten van het onderzoek. Blijkbaar was er veel te weinig geld voor de archeologie begroot. Daarnaast was het opgravingsterrein niet volledig beschikbaar voor de archeologen ondanks het feit dat dit een voorwaarde was van de archeologen om met de opgraving te kunnen beginnen. Concreet hebben deze omstandigheden er toe geleid dat de opgraving meerdere keren onderbroken is en dat Archeodienst niet op een efficiënte wijze haar onderzoek kon uitvoeren. Er konden steeds maar kleine stukjes onderzocht worden. CRV verbood vaak om diepere opgravingsvlakken aan te leggen in een poging om zo min mogelijk te laten onderzoeken. Dit heeft ernstige consequenties voor de kwaliteit van het onderzoek gehad. Enerzijds konden er vaak maar kleine werkputten aangelegd worden, waardoor het overzicht over het geheel ontbrak en anderzijds moesten opgravingsvlakken vaak lang in weer en wind blijven liggen voordat met het volgende, diepere vlak begonnen mocht worden. Hierdoor zijn veel archeologische sporen en bodemlagen beschadigd. De gemeente heeft niets gedaan om dit tegen te gaan. Integendeel, door mee te gaan in de besparingsmodus van CRV heeft zij dit gefaciliteerd.
  11. Van de Graaf probeert door middel van WOB-verzoeken duidelijkheid over de gang van zaken te krijgen. De gemeente stelt echter alles in het werk om de gevoelige informatie geheim te houden. Ten eerste is er in 2014 een samenwerkingsovereenkomst met CRV gesloten waarin een subsidie van € 150.000 verleend wordt, waarvoor conform gemeentewet artikel 55 en de wet openbaarheid van bestuur artikel 10 geheimhoudingsplicht opgelegd wordt, die pas eind 2017 opgeheven is. Het is de vraag of deze geheimhouding terecht was. Ten tweede heeft de gemeente bij het WOB-besluit in eerste instantie geen enkel document geleverd over de milieuaspecten en de subsidiëring van het project, ook al was hier expliciet naar gevraagd. Ook in tweede instantie zijn niet alle documenten geleverd. Ten derde is vrijwel alle correspondentie met CRV over dit project geheim gehouden. Op basis van artikel 11 van de wet openbaarheid van bestuur kan op basis van persoonlijke beleidsopvattingen binnen intern beraad correspondentie geheim gehouden worden. Hier valt echter de correspondentie met CRV, een partij waar de gemeente toezicht op moet uitvoeren vanuit meerdere taakvelden, met zekerheid niet onder. Hier loopt nog een beroepsprocedure over. Ten vierde is er in de periode tussen 17 mei en 13 juni 2016 zeer intensief contact over de kosten van het onderzoek geweest tussen de directie van CRV en het bestuur van de gemeente (wethouder, stadsdirecteur, directeur De Zuidlanden). Van deze contacten is in de WOB-stukken helemaal niets terug te vinden. Ten vijfde heeft het er de schijn van dat de gemeente invloed uitgeoefend heeft op de bezwarencommissie die advies over het bezwaarschrift op het WOB-besluit moest geven. Er bleek een groot contrast te zitten tussen de zeer kritische houding van de commissie tijdens de hoorzitting o.a. over het gebruik van intern beraad als geheimhoudingsgrond en het advies zelf, waarbij de commissie nog meer documenten onder intern beraad liet vallen dan de gemeente in eerste instantie had gedaan. De indruk dat de gemeente probeert zaken in de doofpot te stoppen dringt zich sterk op.
  12. Op 15 augustus 2017 heeft Van de Graaf een brief naar de gemeente gestuurd waarin het verloop van de gebeurtenissen en de conclusies en consequenties van de problematiek worden geschetst en waarin 66 kritische vragen gesteld worden. Ondanks meerdere herinneringen, gesprekken en een klachtenprocedure zijn de vragen tot op de dag van vandaag onbeantwoord gebleven. Hetzelfde lot trof een tweede brief van 9 oktober 2017 waarin 14 nieuwe vragen gesteld werden naar aanleiding van de documenten die na de WOB-bezwaarprocedure openbaar gemaakt waren.
  13. De gemeente weigert categorisch om zich serieus bezig te houden met het oplossen van het financiële conflict tussen Van de Graaf en CRV met als gevolg dat het onderzoek niet afgerond gaat worden en de hele opgraving als verloren beschouwd moet worden. Ondanks het WOB-verzoek, de kritische vragen van 15-08-2017 en 09-10-2017 en het gesprek met wethouder Deinum blijft de gemeente volledig passief.
  14. Uit de WOB-stukken blijkt dat de gemeente in feite ca. 90% van het onderzoek gesubsidieerd heeft (ca. € 165.000). Desondanks voelt de gemeente geen drang om resultaten te zien van haar subsidie. Dit lijkt op pure verspilling van belastinggeld.
  15. De gemeente heeft een verzoek tot handhaving op de voorschriften van de omgevingsvergunning voor het bouwproject (uitvoeren van archeologisch onderzoek, voorschrift 5) afgewezen. Daarmee verwaarloost zij haar wettelijke taak op het gebied van de ruimtelijke ordening.
  16. De gemeente onderneemt geen serieuze actie om het archeologische onderzoek af te laten ronden. Daarmee verwaarloost zij haar wettelijke taak op het gebied van de archeologische monumentenzorg.
  17. De gemeente onderneemt geen actie om een milieudelict (het heimelijk dempen van een sloot met asbesthoudend puin en het verspreiden van dit puin over het gehele bouwterrein) aan de kaak te stellen en de vervuiling op te laten ruimen. Daarmee verwaarloost zij haar wettelijke taak op het gebied van het milieu die zij hier samen met het Wetterskip heeft.

Overigens gaat de Provincie Friesland ook niet vrijuit. Het verzoek van Archeodienst tot Interbestuurlijk Toezicht (IBT) is op basis van een simpele verklaring van de gemeente afgewezen, zonder dat er sprake is geweest van enig onderzoek. De provincie is partij in de kwestie omdat zij na afronding van het onderzoek eigenaar van de vondsten wordt. Uit de WOB-stukken blijkt dat de provincie van begin af aan op de hoogte was van de problematiek bij dit project. Op de officiële melding van Van de Graaf dat het er naar uitziet dat het project niet afgerond gaat worden en de provincie de vondsten dus niet zal krijgen, reageert de provincie uitsluitend met de eis dat Van de Graaf binnen vier weken de vondsten moet overdragen aan de provincie. Er volgt echter geen actie naar CRV en de gemeente, die de veroorzakers van het probleem zijn.