Dinkelland

Dinkelland, dossier Commanderie in Ootmarsum

Voor de nieuwe ontwikkeling van het Commanderieterrein ten zuidoosten van de oude kern van Ootmarsum in de gemeente Dinkelland zijn verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd. Na geofysisch en bureauonderzoek door RAAP zijn in 2011 proefsleuven door BAAC aangelegd. In 2014 is er door Archeodienst een aanvullend proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. In 2016 is er een archeologische begeleiding uitgevoerd door Archeodienst. De onderzoeken beslaan een lange tijdspanne, ook doordat de bouwplannen in de loop der tijd gewijzigd zijn.

Op het terrein heeft de in de 13e eeuw gestichte Commanderie gestaan, een groot versterkt huis dat de residentie was van de ridders van de Duitse Orde. In de 17e eeuw ging het huis in particuliere handen over, kreeg het de naam Huis Ootmarsum en werden er grote siertuinen aangelegd.

Tijdens het onderzoek van BAAC en Archeodienst zijn o.a. resten van stenen gebouwen, grachten, vijvers en een houten waterleiding uit verschillende perioden aangetroffen.

De gemeente was in alle gevallen opdrachtgever voor de onderzoeken. Voor de sanering en ontwikkeling van het gebied heeft de gemeente een subsidie van € 850.000,- van de provincie Overijssel ontvangen.

Bij de onderzoeken van Archeodienst is het meermaals tot onregelmatigheden gekomen. Onderdeel van het proefsleuvenonderzoek in 2014 was de archeologische begeleiding van de sloop van een aantal opstallen. Aangezien de fundamenten van de opstallen zich mogelijk in archeologische lagen bevonden, was deze begeleiding noodzakelijk om te voorkomen dat archeologische resten zouden verdwijnen bij de sloop. Het is echter nooit tot een archeologische begeleiding gekomen omdat de sloop uitgevoerd is zonder dat de archeologen hierover ingelicht zijn. (zie rapport proefsleuvenonderzoek, paragraaf 4.1). Dit is een actie conform tip 2 en 5 voor projectontwikkelaars.

Op een deel van het terrein bleek een dikke laag met veel afval te liggen, die afgegraven (gesaneerd) moest worden voordat het archeologische onderzoek voortgezet kon worden. Het onderzoek werd hierdoor in tweeën geknipt. De ontgraving van de laag hoefde niet archeologisch begeleid te worden, ook al bevonden zich onder deze laag direct de archeologische lagen. Als er archeologische resten aangetroffen zouden worden, dan zou Archeodienst gewaarschuwd worden. Dit is een zogenaamde passieve archeologische begeleiding conform tip 9 voor gemeenten.

Het advies van het proefsleuvenonderzoek was om in het oostelijke deel archeologisch onderzoek uit te voeren bij ontgravingen die dieper dan 30,7 m +NAP zouden gaan. In het westelijke deel was deze diepte 31,7 m +NAP (zie rapport proefsleuvenonderzoek, paragraaf 8.2). Deze NAP-hoogtes komen overeen met de hoogte van het bovenste archeologische niveau plus een buffer van 30 cm. Deze buffer is nodig omdat de archeologische sporen verloren gaan als er precies tot de hoogte van deze sporen gegraven wordt, ofwel doordat er bij de bouw voertuigen overheen rijden ofwel doordat ze blootgesteld worden aan weersomstandigheden, ofwel door de sloop van de toekomstige constructies die boven op de sporen gebouwd gaan worden. Zonder buffer bouwen komt dus neer op het vernietigen van de bovenste 30cm van de archeologische lagen. Op advies van Het Oversticht, een stichting die in Overijssel de gemeenten voorziet van archeologisch advies en provinciale taken uitvoert, heeft de gemeente echter het terrein zonder buffer vrijgegeven.

Er bleven enkele ingrepen over die dieper gingen dan de bufferloze diepte van 30,0 m cq. 31,4 m: twee wegcunetten met een riool erin en een grote wadi (wateropvangbekken). Archeodienst kreeg in 2016 van de gemeente de opdracht om een archeologische begeleiding uit te voeren van deze graafwerkzaamheden. Met toestemming van Het Oversticht, dat niet alleen advies geeft maar in dit geval ook de archeologische directievoering deed, zijn de wegcunetten zonder begeleiding ontgraven. In de uitgegraven wegcunetten zijn naderhand echter verschillende archeologische sporen aangetroffen. Het is uiteraard onbekend wat er bij de aanleg van de wegcunetten verder aan archeologische sporen weggegraven is. De riolen onder de weg moesten wel begeleid worden. Maar ook hier is een deel aangelegd zonder dat er een archeoloog bij was (tip 5 voor projectontwikkelaars).

De wadi is ruim een half jaar later volledig zonder archeologische begeleiding uitgevoerd. Er werd al na een dag bemerkt dat er zonder archeologische begeleiding aan de wadi begonnen was. Zowel de gemeente als Het Oversticht hebben echter niet adequaat gereageerd, zodat pas twee weken later, toen de wadi volledig aangelegd was, een archeoloog werd ingeroepen door de aannemer. De extern adviseur van de gemeente die de directievoering over het werk had, doet alsof de gemeente geen blaam treft, maar de gemeente was de enige opdrachtgever van Archeodienst. De adviseur trekt vervolgens de conclusie dat het weliswaar niet goed verlopen is, maar dat het niet de bedoeling is om tot handhaving over te gaan. Voor de derde maal binnen dit project wordt dus tip 5 voor projectontwikkelaars (en in dit geval ook tip 14) succesvol uit de kast gehaald, wat bovendien wordt afgerond met een schoolvoorbeeld van tip 5 voor gemeenten.

De eendaagse inzet voor de wadi vond enkele dagen voor het faillissement van Archeodienst plaats. Archeodienst kon het rapport van het onderzoek daarom niet meer afronden. Er is overigens nooit meer naar een rapport gevraagd door de gemeente. Voormalig directeur van Archeodienst Van de Graaf bood in mei 2017 aan de gemeente aan om het rapport onder dezelfde financiële condities (dus zonder extra kosten) af te ronden zodat de gemeente en het cultureel erfgoed geen nadeel zouden ondervinden van het faillissement van Archeodienst. De gemeente was hier echter niet van gecharmeerd. Het faillissement vormde een goed excuus om de kosten voor de archeologie uit te sparen (conform tip 17 voor projectontwikkelaars en tip 6 voor gemeenten). De gemeente heeft niet gereageerd op de email van Van de Graaf. Pas weken later kreeg Van de Graaf de gemeente aan de lijn, waarbij hem werd verteld dat de gemeente niet geïnteresseerd was in een rapport. De provincie (Het Oversticht) zou hem dat geadviseerd hebben. Bij navraag bleek het inderdaad zo te zijn dat de nieuwe medewerker van Het Oversticht van mening was dat een rapport geen meerwaarde had en dat dit dus niet nodig was. Op de vraag van Van de Graaf hoe hij dit wilde rijmen met de verplichting om elk archeologisch onderzoek met een rapport af te ronden, zoals dat opgenomen is in de Erfgoedwet, in de KNA (archeologische regelgeving) en in de omgevingsvergunning/ bestemmingsplan, antwoordde Het Oversticht dat dat geen zorg voor de gemeente als opdrachtgever of bevoegd gezag was, maar uitsluitend een zorg voor het opgravingsbedrijf. Een typisch voorbeeld van tip 18 voor projectontwikkelaars en tip 4 voor gemeenten. Uit de stukken die op basis van een WOB-verzoek van Van de Graaf openbaar gemaakt zijn, blijkt dat de regionaal archeoloog van Het Oversticht zijn kennis over het project geheel van de externe adviseur van de gemeente had, die op een niet objectieve en zeker niet waarheidsgetrouwe wijze het project beschreven had.

De algemene houding van de gemeente gedurende het gehele project is negatief tegenover de archeologie. Met tegenzin wordt ingestemd met de archeologische werkzaamheden. Er wordt voortdurend geprobeerd de kosten door manipulatie zo laag mogelijk te houden. Dit blijkt goed uit een mail waarin gepoogd wordt om het advies van Het Oversticht te sturen en uit de mail met leugens waarmee de nieuwe medewerker van Het Oversticht op de hoogte gebracht wordt van het project. Ook het bekokstoven door gemeente en Oversticht van manieren om van de rapportage af te komen, ademt afkeer van archeologie.

Van de Graaf heeft schriftelijke vragen gesteld aan de gemeente Dinkelland die echter nooit beantwoord zijn. Een handhavingsverzoek aan de gemeente is afgewezen omdat Van de Graaf geen belanghebbende zou zijn. Een verzoek bij de provincie Overijssel om tot interbestuurlijk toezicht over te gaan, is pas na vier maanden beantwoord. Een brief aan de provincie om op te treden tegen de gemeente is eveneens pas na vier maanden beantwoord. Het antwoord komt er op neer dat de provincie geen aanleiding tot nadere stappen tegen de gemeente Dinkelland ziet. De standpunten die de provincie inneemt in de brief zijn de volgende:

- Archeologische resten mogen weggegraven worden, ook al wordt onderzoek hiervan in de omgevingsvergunning verplicht gesteld;
- Een archeologisch onderzoek hoeft niet met een rapport afgerond te worden;
- Een opdrachtgever hoeft niet voor uitgevoerde archeologische werkzaamheden te betalen;
- Een opdrachtgever/initiatiefnemer hoeft niet te voldoen aan de voorschriften van zijn omgevingsvergunning.

Dit is blijkbaar de manier waarop overheden straffeloos hun eigen wetten en regels overtreden. Het geeft aan dat deze overheden weinig geven om de archeologische monumentenzorg. In feite komt door dit precedent de gehele archeologische monumentenzorg in Overijssel op de helling te staan.

Omdat Van de Graaf perplex was door het advies van Het Oversticht om illegaal te handelen en door de bijzonder onzorgvuldige wijze waarop dit advies tot stand gekomen is, heeft hij de kwestie voorgelegd aan de Erfgoedinspectie en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Hieruit is een correspondentie en een gesprek tussen Van de Graaf, de beide instanties en het ministerie van OCW voortgevloeid. Zie voor de correspondentie: brief 1, brief 2, brief 3, brief 4, brief 5 en brief 6.
Conclusie hiervan is dat het Rijk van mening is dat (in mijn bewoordingen):

- er geen onwettige zaken zijn gebeurd en dat er daarom geen reden is om hier tegen op te treden;
- er geen eisen gesteld worden aan archeologische adviseurs; in overheidsdienst of niet. Met andere woorden, eenieder mag ongehinderd door kennis of ervaring adviseren over het wel of niet laten onderzoeken of vernietigen van archeologische vindplaatsen;
- een archeologisch adviseur -in overheidsdienst of niet- mag adviseren wat hij wil. Het maakt daarbij niet uit of deze adviezen oproepen om illegaal te handelen, of dat deze adviezen zonder enige kennis van zaken uitgebracht worden;
- het een gemeente vrij staat om te bepalen dat een onderzoek zonder rapport afgerond kan worden, zonder dat dit overigens het opgravingsbedrijf ontslaat van de verplichting om het rapport te leveren;
- een opgravingsbedrijf zijn certificaat afgenomen dient te worden als het een project niet afrondt vanwege het niet betaald krijgen van zijn werk;
- er geen rol voor het Rijk is weggelegd in het tot de orde roepen van gemeenten op het gebied van de archeologische monumentenzorg;
- de erfgoedwet zich uitsluitend op de uitvoerder (opgravingsbedrijf) en niet op de opdrachtgever richt;
- als een PvE geen onderdeel uitmaakt van een omgevingsvergunning de opdrachtgever geen verplichting heeft om het onderzoek uit te voeren, in tegenstelling tot het opgravingsbedrijf, dat wel verplicht zal worden om het project af te ronden ook al krijgt het niet betaald;
- het Rijk nog nooit signalen van belangenverstrengeling is tegengekomen;
- dat deselectie van archeologische vindplaatsen volledig aan de gemeenten is, ook al worden die geadviseerd door leken of anderszins ondeskundige of malafide personen;
- dat niemand wettelijke bevoegdheid heeft om vondsten te (de)selecteren voor conservering.

Samenvattend moet worden vastgesteld dat de gemeente Dinkelland in het project Commanderie in Ootmarsum als opdrachtgever in vijf gevallen vijf verschillende tips voor projectontwikkelaars ten uitvoer gebracht heeft en als bevoegd gezag in vijf gevallen vier verschillende tips voor gemeenten.

Bovendien heeft  Het Oversticht, dat hét adviesorgaan voor de ambtelijke archeologie in Overijssel is, zich schuldig gemaakt aan het bewust onvoldoende beschermen van de archeologie en het geven van advies aan de gemeente om archeologische informatie te vernietigen en het opgravingsbedrijf op te lichten.

De provincie en het Rijk dekken vervolgens de gemeente en praten alles goed.

Hoe kunnen overheden serieus genomen worden in hun archeologische taken als ze zonder enige schroom zelf uit eigenbelang alle regels aan hun laars lappen, cq. het vernietigen van cultureel erfgoed door andere overheden goed praten? Waarom zou een initiatiefnemer ooit nog de archeologische voorschriften van zijn omgevingsvergunning nakomen als de instantie die deze voorschriften oplegt zich zelf ook niet aan deze voorschriften houdt?

Nadat de gemeente weigerde om het project af te laten ronden door Van de Graaf, heeft laatstgenoemde de reeds door Archeodienst uitgevoerde werkzaamheden, waarvan hij de rechten van de curator had overgenomen, in rekening gebracht bij de gemeente Dinkelland. Deze kosten zijn door de gemeente betaald. Het rapport is echter nog steeds niet geschreven.